Kunst voor de gewone man

De cultuur waarin ik opgroeide kan getypeerd worden als een diepe Hollandse cultuur. Het heeft niets van de uitbundige en tegelijk verontschuldigende natuur van het katholieke zuiden, de superioriteit van Amsterdam, de doordringende Duitse nasmaak van het oosten, of, hoe zal ik het omschrijven, de specifieke noordelijke “atmosfeer”. Het is een cultuur die diep geworteld is in waarden, tradities, complete botheid, aanpak mentaliteit en compleet wars van publieke emotie of drama.

Je denkt nu “Ah! Rotterdam!”, maar dat is een vergissing. Rotterdam heeft deze cultuur overgenomen en loopt er schaamteloos mee te pronken, maar voor een bezoeker uit mijn cultuur blijft deze stad een vreemde en mysterieuze wereld.

De cultuur waarin ik opgroeide heeft een paar ontwikkelingen gemist, misschien was dat een keuze, misschien was dat vanwege het relatieve isolement van de gemeenschap. Een van de ontwikkelingen die het gemist heeft is het kruispunt waar de Hoge Kunst besloot linksaf te slaan en vakmanschap, of wat we “toegepaste kunst” noemen, rechtsaf. Dit onderscheid, zo gewoon in de westerse cultuur, heeft maar weinig volgers in de gemeente waar ik opgroeide. Nu kunnen we het daarbij laten en van het panorama van het strand genieten, of van de pittoreske boulevard, maar er is meer.

Het is in dit vasthouden aan het idee van de verbondenheid van vakmanschap en kunst dat een interessant fenomeen zichtbaar wordt: de waardering van de kunst als onderdeel van de gemeenschappelijke cultuur. Je zou kunnen denken dat de waardering van kunst alleen gedaan kan worden door mensen met een exotische kledingkeuze die stil kunnen nadenken over de diepere betekenis van een blik met menselijke uitwerpselen, maar dat roept de vraag op: waarom? Waarom zou de waardering van kunst voorbehouden moeten zijn aan een select groepje mensen met rood omrande brillen en delicaat gedrapeerde shawls?

De allereerste tentoonstelling waar ik aan mee deed werd bezocht door een kleine 1200 mensen, in drie dagen. Voor alle kunstenaars daar, laat dat even inzinken. Dat zijn geen vreemde bezoekcijfers, maar relatief normaal waar ik vandaan kom. Nee, ik ben zeker geen Rothko of Hirst. Mensen uit de kunstwereld denken vaak dat ik overdrijf, en ik daag ze dan uit om een tentoonstelling te organiseren in mijn  geboortedorp. Niemand heeft de uitdaging aangenomen.

De filosofie om Kunst als een natuurlijke extensie te zien van vakmanschap is een beetje een twistappel in de kunstwereld, omdat het, als je de lijn doortrekt, het belang van de ontwikkeling van de Kunst in de laatste eeuw of zo betwijfeld en de meeste conceptuele kunst verwerpt.

Toch, het was de dominante filosofie in Europa en de rest van de wereld tot een paar eeuwen geleden. Denk er eens over na: een paar eeuwen terug berichtte een bezoeker aan Nederland dat zelfs de gewone slager een schilderij in de winkel had hangen.

De Nederlandse gemeenschap in de zeventiende eeuw ondersteunde en betaalde een kunst mega-industrie,  de producten waarvan nog steeds, comfortabel, de westerse kunstgeschiedenis domineren. Waarom kon dit? De verklaring is vrij eenvoudig als je kunst ziet als een extensie van vakmanschap.

Door deze lens wordt kunst een samenkomen van twee gedachten, namelijk “kunst is het merkteken van de meester”, en “Als ik goed wordt in wat ik doe, dan maak ook ik kunst”. Een dergelijke visie verwerpt de 80-jarige aquarel hobbyist niet, maar verwelkomt hem als een medereiziger. De bordurende dame wordt ineens een kunstenaar in haar eigen vak. Door deze lens wordt het aanschaffen van een kunstwerk niet een “culturele daad”, of, erger nog, een “investering”, maar een blijk van waardering.

De zelf-opgetrokken muur tussen hen die “het” weten, en de hobbyist valt dan volledig weg. Opeens wordt de kunstenaar van zijn podium gerukt en wordt één van ons. Dit stelt de kijker in staat om kunst te waarderen als iets dat binnen handbereik is, en geeft hem/haar de mogelijkheid om vrijelijk een mening te hebben zonder de angst dat daar dan iets van gevonden gaat worden. Commentaar verandert dan ook van “dat zou mijn  driejarige zusje kunnen doen”, naar complimenten als “kunstig” (een teruggrijpen naar het oud Nederlandse “constigh”) of zelfs het schoorvoetend uitgesproken “dit zou ik niet kunnen”. Die laatste zin is belangrijk, want de implicatie in het compliment is dat kijker en kunstenaar op het zelfde niveau staan of beginnen.

Het zien en promoten van kunst als diep geworteld in vakmanschap dwingt de kunstenaar om ook goed en met een frisse blik naar zijn eigen werk te kijken. Het vergt dat je je achtergrond omarmt, want zelfs een korte schuine blik op de kunstgeschiedenis toont ons dat de grote meesters zichzelf zagen als, je raad het al, vaklieden. De illustere namen van de Nederlandse kunst probeerde kun vakwerk te verkopen aan een publiek dat er geen been in zag om hun ongezouten mening te geven. Een publiek dat kunst niet als “afgescheiden” of “vreemd “ zag.  Het vraagt ook dat je als kunstenaar naar jezelf kijkt, en jezelf niet neerzet als “iets bijzonders”: dat is reeds gedaan en het werkt slechts voor enkelen.

Het gevolg hiervan is dat in mijn dorp, een huis niet als compleet ingericht wordt gezien als er niet één of meer kunstwerken aan de muur hangen. Stel je eens voor wat er zou gebeuren als dat de dominante cultuur in Europa zou worden?  Toegegeven, niet alle kunstwerken die daar aan de muren hangen zijn van hoogstaande kwaliteit, maar dat heeft meer te maken met aanbod dan vraag. De vraag is er, de hamvraag is “wie levert het aanbod?”

In conclusie, ik vraag me vaak af waarom zoveel kunstenaars het zo moeilijk vinden om een connectie te maken met hun publiek, of volledig wanhopen over de uiteindelijke onwillendheid van het grotere publiek om hun werken te bekijken en te bespreken. Zou het verschil kunnen zijn dat ik mijzelf niet wil afzonderen van mijn publiek en ik mijn werk en mijzelf niet zie als superieur of beter? Met mijn ideeën en nog steeds ontwikkelende technieken probeer ik te zingen voor mijn publiek zo goed en zo kwaad als ik kan, met de middelen die mij zijn gegeven. Stevig geworteld in het geloof dat ik een onderdeel ben van een gemeenschap, en dat creativiteit niet voorbehouden is aan een vreemd uitgedoste elite.

Kunst voor de gewone man is geen marketing term bedoeld om de sales naar een  nog niet aangeboorde markt te verhogen. Het is kijken naar je eigen kunst met een frisse blik, niet kunst maken omdat je ergens in je geest jeuk hebt. Het is je vak als kunstenaar vieren en je publiek op een gelijkwaardig niveau tegemoet treden.

Kunst begint als de vakman weet hoe hij zijn materialen kan laten zingen” – P. Bekker sr.

contact me

I'm not around right now. But you can send me an email and I'll get back to you, asap.

Sending

©2018 R.P.N. Bekker All Rights Reserved

Log in with your credentials

Forgot your details?

Spring naar werkbalk